de weefseltypering of HLA-typering

Zodra iemand zich als donor heeft aangemeld, wordt zijn of haar weefseltype bepaald. Als later een patiënt stamcellen nodig heeft van dat weefseltype, wordt de donor benaderd.

Een stamceltransplantatie is alleen veilig wanneer het weefseltype van donor en patiënt zoveel mogelijk overeenkomen. Uit de stamcellen van de donor ontstaan namelijk de witte bloedcellen van het afweersysteem. Als zij het lichaam van de patiënt als vreemd beschouwen en gaan aanvallen, ontstaan ernstige en zelfs dodelijke complicaties. In vakjargon heet dat ‘graft versus host’ ziekte (letterlijk: transplantaat tegen gastheer).

Dit probleem doet zich niet voor wanneer men gebruik maakt van de eigen stamcellen van de patiënt (autologe stamcellen). Deze benadering is echter niet altijd mogelijk en biedt ook niet bij elke patiënt de optimale kans op genezing. Vaak is transplantatie met stamcellen van een donor (allogene stamcellen) noodzakelijk. Dan moet dus gezocht worden naar een donor die zo goed mogelijk bij de patiënt past. Het zoeken van een donor met passend weefseltype noemt men matching.

Europdonor helpt bij het vinden van een donor die zoveel mogelijk lijkt op de patiënt. Dat zijn geen uiterlijke kenmerken, maar kenmerken die op de cellen gevonden worden: het weefseltype of HLA-type.De afkorting HLA staat voor Humaan Leukocyten Antigeen, wat een belangrijk onderdeel van het afweersysteem dat zich bevindt op witte bloedcellen. De HLA-moleculen, mede ontdekt door Europdonor-oprichter Jon van Rood, spelen een sleutelrol in de afweer tegen ziekten. Helaas zijn zij ook een belangrijke barrière voor de transplantatie van organen en stamcellen. Als de HLA-typering niet goed overeenkomt, ontstaan afweerreacties. Dus moeten de HLA-typering van de donor en van de patiënt zo veel mogelijk op elkaar lijken.

Het HLA-type  is erfelijk: de helft wordt van de vader geërfd, de helft van de moeder. Daarom zoeken artsen altijd eerst naar een stamceldonor in de familie. Er bestaan miljoenen verschillende HLA-typeringen, wat onze zoektocht naar een passende donor buiten de familie heel lastig kan maken. De kans op het vinden van een donor met dezelfde HLA-typering is het grootst als de donor en de patiënt uit dezelfde bevolkingsgroep afkomstig zijn. Het is voor ons essentieel om te zorgen dat het wereldwijde bestand BMDW zo veel mogelijk donoren bevat, liefst ook uit verschillende bevolkingsgroepen.

Zoeken begint in de familie
Wanneer een patiënt stamcellen van een donor nodig heeft, zal de behandelend arts eerst zoeken in de directe familie van de patiënt. Een familielid met dezelfde weefseltypering (HLA) wordt beschouwd als de beste donor. Elke broer of zus van de patiënt heeft een kans van 25% om dezelfde HLA-typering te hebben, en dus een passende donor te zijn. De transplantatiespecialist krijgt hierin advies van de HLA-deskundige van zijn transplantatiecentrum of van Europdonor.

Voor ongeveer één op de drie patiënten wordt een familiedonor gevonden. Dit aantal neemt echter af, doordat de gezinnen kleiner worden. De patiënt is daarom vaak aangewezen op stamcellen van een onverwante donor of stamcellen uit navelstrengbloed. De behandelend arts in het transplantatiecentrum zoekt dan contact met Europdonor.