voorbehandeling

Wat de behandeling van leukemie zo ingrijpend maakt, is vooral de voorbehandeling die het eigen beenmerg en het afweersysteem moet uitschakelen en vaak ook bedoeld is om de overgebleven kwaadaardige cellen te vernietigen. Deze voorbehandeling (ook wel conditionering genoemd) duurt een tot twee weken. Deze bestaat meestal uit een combinatie van zware geneesmiddelen en bestraling. De patiënt krijgt hierover van de behandelend arts uitgebreide voorlichting. Meer informatie is ook te vinden op de site van KWF Kankerbestrijding en de Nederlandse Federatie Universitair Medische Centra.

De transplantatie
Voor de patiënt is de transplantatie zelf eenvoudig. Via een infuus worden de verse stamcellen van de donor of het ontdooide navelstrengbloed toegediend. Voor Europdonor en het transplantatiecentrum vraagt dit moment uiteraard wel zeer zorgvuldige planning. Daarbij houden we voortdurend rekening met de toestand van de patiënt en de beschikbaarheid van de donor. De donor moet worden voorbereid. Dan worden de stamcellen afgenomen. Een koerier vervoert ze naar het transplantatiecentrum, waar ook ter wereld en zorgt dat ze op tijd bij de patiënt aankomen.

Na de transplantatie
In de weken na de toediening van de stamcellen is de patiënt bijzonder kwetsbaar. Het eigen beenmerg is immers uitgeschakeld, terwijl het nieuwe beenmerg nog moet uitgroeien. Rode bloedcellen en bloedplaatjes moeten dan via transfusies worden toegediend. Door het gebrek aan witte bloedcellen is de patiënt extra gevoelig voor infecties. Daarom moet de patiënt geïsoleerd verpleegd worden. De eerste weken na de transplantatie zijn daarom bijzonder spannend. Ook later kunnen nog complicaties optreden. Bovendien duurt het een tijd voordat de patiënt zeker weet dat de ziekte definitief verdwenen is.

De eerste geslaagde transplantatie van bloedstamcellen (‘beenmergtransplantatie’) in Europa vond in 1968 plaats in Leiden bij een baby met een aangeboren ziekte van de witte bloedcellen (zie Cicero 12 juli 2008).

Inmiddels is een stamceltransplantatie geen uitzondering meer en wordt deze behandeling ingezet bij steeds meer ziekten van het bloed en het beenmerg. Jaarlijks worden wereldwijd tienduizenden patiënten op deze manier behandeld. In ongeveer de helft van de gevallen gebeurt dat met stamcellen van de patiënt zelf (autologe stamcellen), in de andere helft zijn stamcellen nodig van een donor (allogene stamcellen). Als er binnen de familie geen geschikte donor gevonden kan worden, doet men een beroep op Europdonor en onze zusterorganisaties in andere landen.